Het patiënten- of cliënten dossier van (klinisch) psychologen

Deze webpagina werd voor het laatst geüpdatet op 12/11/2021.

Gebruikte afkortingen: WPR = Wet op de Patiëntenrechten; GDPR = Algemene verordening gegevensbescherming; KW = Wet kwaliteitsvolle gezondheidszorg; JB = Jeugdbeschermingswet; DC = Deontologische Code

Met hun opname in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, zijn klinisch psychologen gebonden aan de WPR en hebben hun patiënten ontegensprekelijk recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier (art. 9§1, WPR). 

Andere psychologen (lees: niet-clinici) doen er ook best aan om de WPR na te leven, voor zover deze in hun praktijk kan worden toegepast. Het onderstaande geldt dus voor klinisch psychologen, en voor zover van toepassing ook voor alle andere psychologen.

Ingeval een gebrek aan zorgvuldigheid zou worden verweten aan een niet-klinisch psycholoog (denken we bv. aan een A&O-psycholoog die mensen ontmoet die kampen met een burn-out en binnen dit kader een dossier bijhoudt of een schoolpsycholoog die binnen het CLB een dossier bijhoudt van elke leerling waarmee deze in contact komt), kan het immers dat men zich in de rechtspraak ook zal baseren op de bepalingen in de WPR om na te gaan of al dan niet zorgvuldig werd gehandeld.

Hieronder vindt u een overzicht van de verschillende bepalingen die op dit dossier van toepassing zijn.

Inhoud

  1. De inhoud en de vorm van het patiëntendossier
  2. Het recht van de patiënt op verbetering
  3. Het recht van de patiënt op toevoeging
  4. Bewaartijd van een dossier
  5. Het recht op inzage in diens dossier
  6. Inzage in het dossier door de nabestaanden van de patiënt, na diens overlijden
  7. Afschrift van het dossier 
  8. Therapeutische exceptie versus inzagerecht 
  9. Hoe moet u ‘persoonlijke notities’ begrijpen ? 
  10. Verwijzingen

1. De inhoud en de vorm van het patiëntendossier

Zowel in de WPR zelf als in andere wetgeving is momenteel nog niet uitdrukkelijk bepaald aan welke specifieke inhoudelijke, technische en vormelijke criteria het patiëntendossier van een klinisch psycholoog moet voldoen. Dit in tegenstelling tot andere dossiers, zoals medische dossiers in ziekenhuizen, waarvoor wel een aantal wettelijke minimumvoorwaarden zijn vastgelegd2. Er is dus vooralsnog niet specifiek vastgelegd :

  • Welke kwalitatieve gegevens u in het dossier dient op te nemen (bijvoorbeeld data van consultaties, testresultaten, de symptomen die een patiënt naar voren brengt, …)3
  • Of u moet toevoegen welke gegevens u met andere zorgverstrekkers hebt uitgewisseld die betrekking hebben op de gezondheid of behandeling van de patiënt4
  • Hoe lang u uw patiëntendossier precies dient te bewaren5
  • Of u uw dossiers elektronisch of op papier dient bij te houden*. Dit beslist u momenteel nog zelf. Uw patiënten kunnen ook niet van u eisen dat u hun dossier elektronisch, dan wel op papier aanlegt6.

Dat er voorlopig nog geen specifieke criteria bestaan wat betreft de inhoud van het patiëntendossier doet geen afbreuk aan het feit dat er wel een aantal algemene bepalingen zijn waarmee u momenteel als klinisch psycholoog best rekening houdt bij het opstellen van uw patiëntendossier:

  • U bewaart uw dossiers op een zorgvuldige en veilige manier (art. 9 §1 WPR; art. 5, §1, f) GDPR). Dit betekent dat uw dossiers voldoende beveiligd moeten zijn tegen bijvoorbeeld brand, overstroming of cyberaanvallen. Verder dient de opmaak en bewaring evenzeer te garanderen dat het beroepsgeheim gewaarborgd blijft (zie hiervoor ook art. 19 DC).
  • Uw dossier is volledig7 en bevat alle ‘essentiële’ gegevens’8 over uw patiënt. Er bestaan echter nog geen criteria die beschrijven wat precies onder ‘essentiële gegevens’ moet worden verstaan.
  • De persoonsgegevens die u erin opneemt:
    • Moet u op een eerlijke en rechtmatige manier verwerken (art. 5, §1, a) GDPR). U dient dus transparant te zijn over het feit dat u persoonsgegevens verzamelt en de redenen daarvoor9
    • Mag u slechts voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden verkrijgen. U mag ze verder niet gebruiken op een manier die onverenigbaar is met die doeleinden (art. 5, §1, b) GDPR; art. 6, §1, d) en f) GDPR). Dit laatste zou bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een oogarts de namen van diens patiënten zou doorgeven aan een bedrijf dat contactlenzen produceert10.  
    • Zijn toereikend, doen ter zake en zijn niet overmatig (art. 5, §1, c) GDPR). U verzamelt dus enkel die gegevens die noodzakelijk zijn om uw tussenkomst bij de patiënt tot een goed einde te brengen en verder op te volgen.
  • U waakt erover dat gegevens worden bijgewerkt en dat de onjuiste, onvolledige en niet ter zake dienende gegevens worden verbeterd of verwijderd (art. 5, §1, d) GDPR).

Op te merken valt nog dat vanaf de inwerkingtreding van de KW (normaal gezien 1 juli 2022) wel specifieke wettelijke criteria zullen bestaan waaraan het dossier van elke gezondheidszorgbeoefenaar, met inbegrip van de klinisch psychologen, zal moeten voldoen.

Het gaat samengevat om het volgende:

  • De verplichting tot het gebruik van een elektronisch dossier, van zodra daartoe een koninklijk besluit wordt aangenomen (art. 34 KW, zie bovenstaand informatiekader);
  • De verplichting tot opname – in voorkomend geval – van een minimum aantal gegevens, zoals de identificatie van de patiënt door diens identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ), diens naam, geslacht, geboortedatum, adresgegevens, telefoonnummers en e-mailadressen, de reden van het contact of de problematiek bij de aanmelding, persoonlijke en familiale antecedenten, de weergave van overleggesprekken met de patiënt, andere gezondheidszorgbeoefenaars of derden, enzovoort (art. 33 KW).
  • Weet wel dat de voormalige minister van Volksgezondheid, Maggie De Block, een wetswijziging in het vooruitzicht heeft gesteld, in die zin dat enkel elektronische dossiers nog toegelaten zullen worden. Binnen dit kader voorziet artikel 34 KW (dat momenteel nog niet in werking is getreden) in een rechtsgrond om een koninklijk besluit aan te nemen dat elke gezondheidszorgbeoefenaar – zoals bijvoorbeeld de klinisch psycholoog – zal verplichten om het dossier op elektronische wijze bij te houden. Voor elke gezondheidszorgbeoefenaar zal een afzonderlijk koninklijk besluit worden aangenomen met de datum waarop een elektronisch dossier verplicht wordt.De voormalige minister van Volksgezondheid beoogt zo multidisciplinaire samenwerking verder te ondersteunen en het inzagerecht van de patiënt te vergemakkelijken. Van zodra de Psychologencommissie weet heeft van het koninklijk besluit dat de datum bepaalt waarop een elektronisch dossier verplicht wordt voor klinisch psychologen, zal ze u hierover informeren. Verder neemt de Psychologencommissie hieromtrent geen positie in, gezien dit niet onder haar bevoegdheden valt. Deze informatie wordt alleen gegeven ter informatieve titel. Wat betreft multidisciplinaire samenwerking wijzen we er wel graag op dat alle voorwaarden van het gedeelde beroepsgeheim onverminderd van toepassing zijn en blijven. Deze vindt u terug in artikel 14 DC.

Terug

2. Het recht van de patiënt op verbetering

Uw patiënten hebben steeds een recht op verbetering (art. 16 GDPR). Hieruit volgt dat u verplicht bent om fouten in het dossier kosteloos te verbeteren als uw patiënt daarom vraagt. Denk bijvoorbeeld aan incorrecte, achterhaalde of onvolledige gegevens. Stelt u zelf een fout vast? Dan kunt u deze uiteraard op eigen initiatief rechtzetten.

Het verbeterrecht van de patiënt is geen absoluut recht11. Zo kunt u gemakkelijk objectieve fouten aanpassen, zoals een verkeerd huisnummer. Een dergelijke aanpassing is immers niet voor discussie vatbaar. Het ligt echter moeilijker wanneer uw patiënt bijvoorbeeld vraagt om uw beoordeling van diens wilsbekwaamheid aan te passen. Indien u niet akkoord bent met de gevraagde wijziging, dient u hiermee niet akkoord te gaan. U noteert dan wel uitdrukkelijk in het dossier dat uw patiënt niet akkoord gaat met bepaalde informatie in het dossier en de reden daarvoor.  

Terug

3. Het recht van de patiënt op toevoeging

Indien uw patiënt daarom vraagt, dient u eventuele documenten die deze u bezorgt toe te voegen aan het dossier (art. 9§1, tweede lid, WPR; art. 16 GDPR), zoals bijvoorbeeld wetenschappelijke artikels en door de patiënt opgestelde verklaringen12.  Net zoals het recht op verbetering is ook het recht op toevoeging begrensd. Volgens T. Vansweevelt bent u hiertoe enkel gehouden voor zover deze documenten (on)rechtstreeks relevant zijn voor de administratie of de gezondheidstoestand van de patiënt13

Terug 

4. Bewaartijd van een dossier

Hoewel er voor patiëntendossiers van psychologen voorlopig geen specifieke wettelijke bewaartermijn vastligt, kan het aangewezen zijn om uw dossiers 30 jaar te bewaren. Dit komt overeen met de bewaartermijn voor de medische dossiers bewaard door ziekenhuizen14. Deze bewaartermijn dient zowel uw eigen belang als het belang van uw patiënt:

  • Als ingeschreven psycholoog moet u de continuïteit van uw diensten verzekeren (art. 29 DC). Een dossier te snel vernietigen kan het moeilijk maken om de behandeling op een later moment vlot te hervatten. Bovendien kan een dossier, mits toestemming van de patiënt, doorgegeven worden aan een collega-psycholoog die de behandeling verderzet;
  • De wettelijke aansprakelijkheidstermijnen kunnen oplopen tot 30 jaar. Als een patiënt, of diens nabestaande, een schadevergoeding van u eist, kunt u het dossier nodig hebben voor uw verdediging.

Is de bewaartermijn verstreken en wilt u een dossier vernietigen? Dan moet u dit uiteraard op een zorgvuldige manier aanpakken15. Zet uw dossiers dus niet bij het oud papier.

Op te merken valt nog dat er vanaf de inwerkingtreding van de KW (normaliter 1 juli 2022) wel een specifieke wettelijke bewaartermijn zal bestaan. Het dossier zal minimaal gedurende 30 jaar en maximaal gedurende 50 jaar moeten worden bewaard te rekenen vanaf het laatste patiëntencontact (art. 35 KW).

Mag u een dossier vernietigen op vraag van de patiënt?

Een dossier vernietigen op vraag van de patiënt doet u best niet omwille van de redenen aangehaald onder ‘bewaartijd en vernietiging van een dossier’.

Terug

5. Het recht op inzage in het dossier

Wilsbekwame patiënt

(1) Door de patiënt zelf

Uw patiënten hebben recht om zelfstandig en rechtstreeks hun volledige patiëntendossier of een deel daarvan in te kijken (art. 9, §2 WPR). De volgende regels zijn daarbij van toepassing (art. 9, §2 WPR):

  • U reageert binnen de 15 dagen op het verzoek tot inzage,
  • Gegevens die betrekking hebben op derden zijn uitgesloten van het recht op inzage.

Het kan aangewezen zijn dat u aanwezig bent wanneer de patiënt diens inzagerecht uitoefent16.  Zo kan u deze, indien nodig, bijkomende toelichtingen geven. Uw aanwezigheid is echter niet verplicht. Indien de patiënt niet door u wenst te worden bijgestaan, mag deze het inzagerecht ook alleen uitoefenen.

Bent u niet beschikbaar om uitleg te geven of is er sprake van een conflict tussen u en uw patiënt? Dan kunt u bekijken of een andere psycholoog de patiënt kan ondersteunen tijdens de inzagerecht door op te treden als vertrouwenspersoon van de patiënt. De patiënt moet hiervoor wel toestemmen. 

(2) Door de vertrouwenspersoon van de patiënt 

>> klik hier voor bijkomende toelichtingen over de vertrouwenspersoon

Een patiënt kan ook een vertrouwenspersoon aanduiden om samen of in diens plaats de rechten met betrekking tot diens dossier uit te oefenen (art. 7, §2 en art. 9 WPR). De patiënt moet dit wel schriftelijk bevestigen. Deze bevestiging voegt u vervolgens samen met de identiteit van de vertrouwenspersoon toe aan het patiëntendossier.

De vertrouwenspersoon kan een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep zijn. Deze beroepsbeoefenaar hoeft bovendien niet noodzakelijk een klinisch psycholoog te zijn. Het kan evenzeer gaan om andere zorgberoepen die in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de gezondheidszorgberoepen zijn opgenomen: geneesheren, kinesitherapeuten, tandartsen,…18

Op de website van de FOD Volksgezondheid vindt u een template die u kan gebruiken wanneer uw patiënt een vertrouwenspersoon wenst aan te stellen. Deze template is opgesteld door de Federale Commissie Rechten van de Patiënt. >> klik hier 

Niet-wilsbekwame patiënt

Indien de patiënt niet-wilsbekwaam is, worden diens patiëntenrechten in beginsel uitgeoefend door een vertegenwoordiger van de patiënt (zie hoofdstuk IV in de WPR). U zal zelf, geval per geval moeten beoordelen aan de hand van een doordacht reflectieproces of de patiënt al dan niet wilsbekwaam is..

Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. de wilsbekwaamheid

(1) Minderjarige, niet-wilsbekwame patiënt 

Een minderjarige, niet-wilsbekwame patiënt wordt bij de uitoefening van diens patiëntenrechten vertegenwoordigd door de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen of door een voogd (art. 12, §1 WPR).

Concreet betekent dit dat ingeval het ouderlijk gezag aan één ouder exclusief werd toegekend (op basis van art. 374, §1, tweede lid BW), enkel deze ouder de patiëntenrechten kan uitoefenen van het minderjarige, niet-wilsbekwame kind. De andere ouder behoudt evenwel het recht op informatie om zo toezicht te kunnen houden op de opvoeding van het kind (art. 374, §1, vierde lid BW).

Verder brengt dit met zich mee dat ingeval een ouder uit het ouderlijk gezag werd ontzet (op basis van art. 34 JB), deze ouder de patiëntenrechten van het minderjarige, niet-wilsbekwame kind niet kan uitoefenen. Deze ouder heeft ook geen recht op informatie. 

Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. het ouderlijk gezag

(2) Meerderjarige, niet-wilsbekwame patiënt

Voor een meerderjarige, niet-wilsbekwame patiënt wordt in een cascaderegeling voorzien (art. 14 WPR). Deze cascaderegeling houdt het volgende in, voor zover en zolang deze niet in staat is om diens rechten zelf uit te oefenen:

  • Ingeval geen dergelijke vertegenwoordiger werd aangewezen of ingeval deze vertegenwoordiger niet optreedt: uitoefening van de patiëntenrechten door de bewindvoerder;
  • Ingeval van afwezigheid van een bewindvoerder: uitoefening van de patiëntenrechten door de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of de feitelijk samenwonende partner;
  • Ingeval van afwezigheid van een samenwonende echtgenoot, een wettelijk samenwonende partner of een feitelijk samenwonende partner of ingeval van afwezigheid van actie door deze persoon: uitoefening van de patiëntenrechten door een meerderjarig kind, een ouder of een meerderjarige broer of zus (die uiteraard wel over wilsbekwaamheid moeten beschikken);
  • Ingeval van ontbreken van alle voorgaande personen of ingeval van afwezigheid van actie van alle voorgaande personen: uitoefening van de patiëntenrechten door uzelf, in voorkomend geval na multidisciplinair overleg.

Dit is tevens het geval ingeval van conflict tussen twee of meer van voornoemde personen. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt, kunt u het verzoek van de vertegenwoordiger om inzage of een afschrift van het patiëntendossier te bekomen, geheel of gedeeltelijk weigeren. U voegt een schriftelijke motivering voor deze weigering toe aan het patiëntendossier. In dergelijk geval wordt het recht op inzage of afschrift uitgeoefend door een door de vertegenwoordiger aangewezen beroepsbeoefenaar (art. 15, §1 WPR juncto art. 15, §3 WPR).

Terug

6. Inzage in het dossier door de nabestaanden van de patiënt, na diens overlijden

Ook na het overlijden blijft het beroepsgeheim gelden. Dit neemt niet weg dat onder bepaalde omstandigheden de belangen van de nabestaanden zwaarder kunnen doorwegen dan het recht op privacy van de overleden patiënt19. Als de patiënt overlijdt, dan hebben diens nabestaanden volgens de WPR onder een aantal strikte voorwaarden de mogelijkheid om het patiëntendossier onrechtstreeks in te kijken (art. 9, §4 WPR). De wet voorziet echter geen recht op afschrift voor nabestaanden. Een afschrift is immers steeds persoonlijk en vertrouwelijk en kan daarom enkel bestemd zijn voor de patiënt zelf20.

De volgende cumulatieve voorwaarden zijn aan het inzagerecht na overlijden verbonden:

  • Het gaat om een onrechtstreeks inzagerecht. De nabestaande kan het dossier niet zelf inkijken, maar alleen via een beroepsbeoefenaar die deze zelf mag aanduiden,
  • Dit onrechtstreeks inzagerecht kan enkel uitgeoefend worden door de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en bloedverwanten tot en met de tweede graad (lees: de kinderen en kleinkinderen, de ouders en grootouders, de broers en zussen),
  • De patiënt mag zich er tijdens diens leven niet uitdrukkelijk tegen hebben verzet,
  • Het verzoek zelf moet voldoende gemotiveerd en gespecifieerd zijn*
  • U geeft alleen inzage in documenten die relevant zijn voor de gegeven motivering. Illustratie bij deze bepaling in de memorie van toelichting van de WPR21: “Zo zal er, wanneer het verzoek tot inzage gemotiveerd is door de wens de doodsoorzaak te kennen, geen inzage verleend worden in stukken uit het medisch dossier die betrekking hebben op feiten die geen enkel verband houden met de oorzaak van het overlijden.”

U kunt niet op een verzoek van nabestaanden tot inzage ingaan indien niet aan bovenstaande voorwaarden is voldaan. 

Vanaf wanneer is een verzoek tot inzage voldoende gemotiveerd en gespecifieerd?

De wet zelf omschrijft niet vanaf wanneer een verzoek tot inzage voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is. Het is wel duidelijk dat het recht op privacy van de overleden patiënt enkel en alleen kan doorbroken worden indien de belangen van de verzoekers zwaarder doorwegen dan dit recht op privacy22. Deze afweging van belangen maakt u zelf23, geval per geval, in functie van de specifieke situatie. U houdt daarbij best ook rekening met de invloed op de nagedachtenis van de overledene24. Volgens de deontologische code mag u eveneens niet ingaan op verzoeken van derden die een ongeoorloofd of immoreel doel nastreven (art. 43 DC). 

De memorie van toelichting bij de WPR geeft daarnaast nog een aantal voorbeelden waarin het gerechtvaardigd zou kunnen zijn dat een nabestaande om inzage vraagt:
  • in het kader van rouwverwerking,
  • om bepaalde erfelijke ziektes op te sporen,
  • als nabestaanden vermoeden dat u een fout hebt gemaakt,
  • enz.

Deze lijst kunt u meenemen in uw beslissing of u al dan niet op een verzoek kan ingaan. Het gaat niet om een bindende lijst.

Terug

7. Afschrift van het dossier 

In het verlengde van het inzagerecht voorziet de WPR ook in een recht op afschrift van het volledige dossier of van een gedeelte daarvan (artikel 9, §3 WPR). Dit mag, maar hoeft geen schriftelijke kopie te zijn, het kan ook digitaal (bijvoorbeeld via USB, in een e-mailbericht,…)25.

Aan het recht op afschrift zijn de volgende voorwaarden verbonden (artikel 9, §3 WPR):

  • U geeft binnen de 15 dagen gevolg aan het verzoek tot afschrift,
  • U vermeldt op elk afschrift dat het strikt persoonlijk en vertrouwelijk is,
  • Gegevens die betrekking hebben op derden zijn uitgesloten van het recht op afschrift,
  • U weigert het afschrift als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de patiënt onder druk wordt gezet om het dossier aan derden door te geven (vb. familielid, verzekeraar, …). Hoewel dit niet opgelegd wordt door de WPR zelf, kan het nuttig zijn om deze weigering te documenteren in het dossier.

Met uitzondering van de eerste kopie die u gratis ter beschikking moet stellen (art. 15, derde lid GDPR), mag u bovendien een bedrag aanrekenen voor een afschrift. Hieraan hangen echter ook een aantal regels vast26:

  • Per gekopieerde papieren pagina (A4) mag u maximaal 0,10 euro aanrekenen,
  • Het maximaal totaalbedrag voor een schriftelijke kopie bedraagt per opvraging 25 euro,
  • U mag maximaal 10 euro aanrekenen voor een digitale kopie.

Terug

8. Therapeutische exceptie versus inzagerecht 

De WPR omschrijft in artikel 7, §4 de ‘therapeutische exceptie’. De therapeutische exceptie houdt in dat u de informatie over de (evolutie van) de gezondheidstoestand uitzonderlijk niet aan uw patiënt moet meedelen als dit een klaarblijkelijk ernstig nadeel zou betekenen voor diens gezondheid of deze van derden. Zodra dit gevaar geweken is, bent u evenwel wel verplicht om de informatie alsnog door te geven aan uw patiënt.

Vooraleer u de ‘therapeutische exceptie’ kan inroepen moet u hierover een andere beroepsbeoefenaar raadplegen. U voegt daarenboven ook een schriftelijke motivatie toe aan het patiëntendossier. Als uw patiënt een vertrouwenspersoon heeft aangeduid, dan licht u deze hierover in.

Wat betekent dit nu voor het recht op inzage en afschrift? Wanneer de ‘therapeutische exceptie’ nog steeds van toepassing is, kan uw patiënt diens inzagerecht en recht op afschrift enkel onrechtstreeks uitoefenen via een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep die deze zelf aanduidt.

Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. de therapeutische exceptie

Terug 

9. Hoe moet u ‘persoonlijke notities’ begrijpen?

Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. de persoonlijke notities

Terug

10. Verwijzingen

1 Voor een overzicht, zie:

  • Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 429-30
  • J. Herveg, M.-N. Verhaegen & Y. Poullet, « Les droits du patients face au traitement informatisé de ses données dans une finalité thérapeutique : Les conditions d’une alliance entre informatique, vie privée et santé ». Rev. Dr. Santé 2002-2003, pp 56-84.

2 Zie hiervoor het Koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende het Algemeen Medisch Dossier (BS 17 juni 1999)

3 Federale ombudsdienst « Rechten van de patiënt », Jaarverslag 2011, p.86 >> klik hier om te raadplegen

4 Federale ombudsdienst « Rechten van de patiënt », Jaarverslag 2011, p.86 >> klik hier om te raadplegen

5 Federale ombudsdienst « Rechten van de patiënt », Jaarverslag 2015, >> klik hier om te raadplegen

6 Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 463

7 Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 432

8 Verslag namens de Commissie voor de Volksgezondheid, het Leefmilieu en de Maatschappelijke Hernieuwing uitgebracht door mevr. Michèle Gilkinet en dhr. Hubert Brouns, Parl.St. Kamer 2001-02, nr. 1642/012, p. 86 >> klik hier om te raadplegen

9 Privacycommissie (2013). Juridische nota over de bescherming van persoonsgegevens in België, p. 10 >> klik hier om te raadplegen

10 Voorbeeld ontleend uit  Privacycommissie (2013). Juridische nota over de bescherming van persoonsgegevens in België, p. 13 >> klik hier om te raadplegen

11 Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 462

12 Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50,  2001-02, nr. 1642/001, p.29 >>klik hier om te raadplegen

13 Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 460

14 Zie artikel 1 in het Koninklijk besluit van 3 mei 1999 betreffende het Algemeen Medisch Dossier (BS 17 juni 1999)

15 Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 567

16 Veys, M.N. (2008). De Wet Patiëntenrechten in de psychiatrie. Gent: Larcier, p. 196

18 Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 515

19 Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50,  2001-02, nr. 1642/001, p.34 >>klik hier om te raadplegen

20 Nys, H. (2014). Recht en bio-ethiek. Tielt: Uitgeverij Lannoo Campus, p. 90

21 Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50,  2001-02, nr. 1642/001, p.35 >>klik hier om te raadplegen

22 Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50,  2001-02, nr. 1642/001, p.34 >>klik hier om te raadplegen

23 Hausman, J.-M. « Chapitre II. Droits et obligations du patient et du psychologue clinicien » in J.-M. Hausman & G. Schamps (dir.) (2016). Aspects juridiques et déontologiques de l’activité de psychologue clinicien. Bruxelles: Bruylant, p. 41-242

24 Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50,  2001-02, nr. 1642/001, p.34-35 >>klik hier om te raadplegen

25 Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50,  2001-02, nr. 1642/001, p.35 >>klik hier om te raadplegen

26 Zie het Koninklijk Besluit van 2 februari 2007 tot vaststelling van het maximumbedrag per gekopieerde pagina dat de patiënt mag worden gevraagd in het kader van de uitoefening van het recht op afschrift van het hem betreffende patiëntendossier (BS 7 maart 2007)

Terug


 
Deel deze pagina