Het patiënten- of cliënten dossier van (klinisch) psychologen

Deze webpagina werd voor het laatst geüpdatet op 24/10/2022.

Gebruikte afkortingen: 

  • WUG = gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen;
  • WPR = wet van 22 augustus 2022 betreffende de rechten van de patiënt;
  • KW = wet van 22 april 2019 inzake de kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg;
  • GDPR = verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG;
  • DC = koninklijk besluit van 2 april 2014 tot vaststelling van de voorschriften inzake de plichtenleer van de psycholoog (deontologische code);
  • JB = wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.

Met hun opname in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, zijn klinisch psychologen gebonden aan de Patiëntenrechtenwet en de Kwaliteitswet en hebben hun patiënten ontegensprekelijk recht op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier (art. 9§1, WPR). Bovendien dienen een heel aantal elementen in het patiëntendossier te worden opgenomen (art. 33 KW) en moet het patiëntendossier van zodra daartoe een koninklijk besluit werd aangenomen verplicht elektronisch worden bijgehouden (art. 34 KW).

Andere psychologen (lees: niet-clinici) doen er ook best aan om de Patiëntenrechtenwet en de Kwaliteitswet na te leven, voor zover deze in hun praktijk kan worden toegepast en er voor hen geen andere specifieke regelgeving geldt. Het onderstaande geldt dus voor klinisch psychologen, en voor zover van toepassing ook voor alle andere psychologen bij gebrek aan voor hen specifieke regelgeving.

Ingeval een gebrek aan zorgvuldigheid zou worden verweten aan een niet-klinisch psycholoog (denken we bv. aan een A&O-psycholoog die mensen ontmoet die kampen met een burn-out en binnen dit kader een dossier bijhoudt of een schoolpsycholoog die binnen het CLB een dossier bijhoudt van elke leerling waarmee deze in contact komt), kan het immers dat men zich in de rechtspraak ook zal baseren op de bepalingen in de Patiëntenrechtenwet en de Kwaliteitswet om na te gaan of al dan niet zorgvuldig werd gehandeld.

Met dit dossier informeren wij u graag over het patiënten- of cliëntendossier.

Inhoud

  1. De inhoud en de vorm van het patiëntendossier
  2. Het recht van de patiënt op verbetering
  3. Het recht van de patiënt op toevoeging
  4. Bewaartijd van een dossier
  5. Stopzetting van uw praktijk
  6. Het recht op inzage in diens dossier
  7. Inzage in het dossier door de nabestaanden van de patiënt, na diens overlijden
  8. Afschrift van het dossier 
  9. Therapeutische exceptie versus inzagerecht 
  10. Hoe moet u ‘persoonlijke notities’ begrijpen ? 
  11. Verwijzingen

1. De inhoud en de vorm van het patiëntendossier

Klinisch psychologen zijn gehouden tot naleving van de Patiëntenrechtenwet en de Kwaliteitswet, waardoor hun patiënten ontegensprekelijk recht hebben op een zorgvuldig bijgehouden en veilig bewaard patiëntendossier (art. 9§1, WPR). Bovendien dienen een heel aantal elementen in het patiëntendossier te worden opgenomen (art. 33 KW) en moet het patiëntendossier van zodra daartoe een koninklijk besluit werd aangenomen verplicht elektronisch worden bijgehouden (art. 34 KW).

Welke elementen dienen te worden opgenomen?

De Kwaliteitswet voorziet in een lijst, die u hier kan raadplegen.

Samengevat, gaat het voor u om de volgende elementen:

  • de identificatie van de patiënt door diens identificatienummer van de sociale zekerheid (INSZ), diens naam, geslacht, geboortedatum, adresgegevens, telefoonnummers en e-mailadressen;
  • de identificatie van de huisarts van de patiënt;
  • de identificatie van de gezondheidszorgbeoefenaar zelf en in voorkomend geval van de verwijzer en van de gezondheidszorgbeoefenaars die eveneens bij de verstrekte gezondheidszorg tussenkwamen;
  • de reden van het contact of de problematiek bij de aanmelding;
  • persoonlijke en familiale antecedenten;
  • de resultaten van onderzoeken (bevoegdheidsbeperking: binnen het toepassingsgebied van de klinische psychologie, zoals gedefinieerd in art. 68/1, §3 WUG);
  • de weergave van overleggesprekken met de patiënt, andere gezondheidszorgbeoefenaars of derden;
  • attesten, verslagen of adviezen ontvangen van de patiënt of derden;
  • de gezondheidsdoelen en de wilsverklaringen ontvangen van de patiënt;
  • de diagnose vastgesteld door de betrokken gezondheidszorgbeoefenaar;
  • het chronologisch overzicht van de verstrekte gezondheidszorg met opgave van type en datum;
  • de evolutie van de aandoening indien pertinent;
  • de doorverwijzingen naar andere gezondheidszorgbeoefenaars, diensten of derden;
  • verwikkelingen die een bijkomende behandeling vergen;
  • bij opname van de patiënt in een ziekenhuis, indien de gezondheidszorgbeoefenaar dat pertinent acht, een dagelijkse evaluatienota van de gezondheidstoestand van de patiënt;
  • de vermelding dat in toepassing van de artikelen 7, § 2, en 8, § 3 WPR informatie met akkoord van de patiënt werd meegedeeld aan een vertrouwenspersoon of aan de patiënt in aanwezigheid van een vertrouwenspersoon evenals de identiteit van deze vertrouwenspersoon (klik hier voor meer informatie over de vertrouwenspersoon in de zin van de WPR);
  • het verzoek van de patiënt dat informatie niet wordt verstrekt in toepassing van de artikelen 7, § 3, en 8, § 3 WPR;
  • de motivering voor het onthouden van informatie aan de patiënt in toepassing van artikel 7, § 4 WPR (zogenaamde ‘therapeutische exceptie’) (klik hier voor meer informatie over de therapeutische exceptie);
  • het verzoek van de patiënt in toepassing van artikel 9, § 2 WPR om zich te laten bijstaan door of zijn inzagerecht uit te oefenen via een door hem aangewezen vertrouwenspersoon evenals de identiteit van deze vertrouwenspersoon (klik hier voor meer informatie over de vertrouwenspersoon in de zin van de WPR);
  • de motivering van de gehele of gedeeltelijke weigering van inzage in of afschrift van het patiëntendossier aan een vertegenwoordiger van de patiënt in toepassing van artikel 15, § 1 WPR (mogelijkheid tot weigering tot inzage of afschrift ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt t.a.v. diens wettelijke vertegenwoordiger (klik hier voor meer informatie over de concrete toepassing hiervan in de context van de begeleiding van minderjarigen);
  • de motivering van de afwijking van de beslissing van een vertegenwoordiger van de patiënt in toepassing van artikel 15, § 2 WPR (mogelijkheid om af te wijken van de beslissing van de wettelijke vertegenwoordiger van de patiënt in het belang van de patiënt en teneinde een bedreiging van diens leven of ernstige aantasting van diens gezondheid af te wenden) (klik hier voor meer informatie over de concrete toepassing hiervan in de context van de begeleiding van minderjarigen).

Moet u al deze elementen opnemen?

Neen, u dient enkel de elementen op te nemen binnen uw bevoegdheid en in voorkomend geval (art. 33, eerste lid KW).

Concreet betekent dit dat u bv. geen familiale antecedenten moet opnemen indien u hier geen weet van heeft.

Wat indien uw patiënt u uitdrukkelijk vraagt om bepaalde informatie niet op te nemen in het patiëntendossier, hoewel diezelfde informatie zich bevindt in bovenstaande lijst?

Dit is geen evidente vraag die een geval-per-geval benadering vergt, waarbij transparantie en dialoog met uw patiënt centraal moeten staan. Het is in elk geval zo dat het wettelijke kader een zekere flexibiliteit toelaat, in die zin dat de elementen enkel dienen te worden opgenomen binnen uw bevoegdheid en in voorkomend geval (art. 33, eerste lid KW). In de afweging die u maakt, houdt u rekening met het belang van de patiënt, en diens recht op kwaliteitsvolle zorg en continuïteit van zorg. Mogelijks kan u – in samenspraak met de patiënt – bepaalde informatie in vagere, algemenere termen verwoorden. Het is tevens van belang de patiënt duidelijk te informeren over het patiëntendossier, diens doelstellingen en meer algemeen de regelgeving errond. Het kan zijn dat de patiënt u vraagt bepaalde informatie niet op te nemen uit schrik dat deze informatie gedeeld zou worden. Binnen dat verband is het belangrijk te benadrukken dat wat in het patiëntendossier opgenomen is niet gedeeld wordt, tenzij aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Mag u ook andere elementen opnemen?

Het gaat niet om een exhaustieve lijst. U mag dus andere elementen opnemen. Dit neemt niet weg dat u daarbij nog steeds de GDPR in acht moet nemen. Concreet betekent dit dat u enkel die andere elementen mag opnemen die noodzakelijk zijn om uw tussenkomst bij de patiënt tot een goed einde te brengen en verder op te volgen.

Het is raadzaam om de geïnformeerde toestemming op te nemen in het patiëntendossier, ook al is deze niet vervat in bovenstaande lijst. Het gaat hierbij enerzijds om de geïnformeerde toestemming met het behandelingsplan, en anderzijds de geïnformeerde toestemming tot het delen van informatie (voor zover tevens aan de andere voorwaarden is voldaan). Binnen een ziekenhuiscontext is het vaak zo dat patiënten in het verleden reeds een geïnformeerde toestemming gaven tot het delen van informatie. Het is aanbevolen in het belang van de vertrouwensrelatie die van primordiaal belang is opdat psychologische zorg kan plaatsvinden dit uitdrukkelijk – in alle transparantie – te bespreken met de patiënt, die indien gewenst diens geïnformeerde toestemming nog kan intrekken, moduleren of diversifiëren. Hiervan maakt u dan best melding in het patiëntendossier.

Onder welke vorm dient u het patiëntendossier bij te houden?

Vanaf een door de Koning vastgesteld na overleg in de Ministerraad te bepalen besluit zal u het patiëntendossier bij moeten houden en bewaren in elektronische vorm (art. 34 KW). Tot dan mag u nog een papieren dossier bijhouden, met dien verstande dat uw werkgever – voor zover u in dienstverband werkt – reeds van u kan eisen dat u het patiëntendossier in elektronische vorm bijhoudt.

    Terug

    2. Het recht van de patiënt op verbetering

    Uw patiënten hebben steeds een recht op verbetering (art. 16 GDPR). Hieruit volgt dat u verplicht bent om fouten in het dossier kosteloos te verbeteren als uw patiënt daarom vraagt. Denk bijvoorbeeld aan incorrecte, achterhaalde of onvolledige gegevens. Stelt u zelf een fout vast? Dan kunt u deze uiteraard op eigen initiatief rechtzetten.

    Het verbeterrecht van de patiënt is geen absoluut recht[1]. Zo kunt u gemakkelijk objectieve fouten aanpassen, zoals een verkeerd huisnummer. Een dergelijke aanpassing is immers niet voor discussie vatbaar. Het ligt echter moeilijker wanneer uw patiënt bijvoorbeeld vraagt om uw beoordeling van diens wilsbekwaamheid aan te passen. Indien u niet akkoord bent met de gevraagde wijziging, dient u hiermee niet akkoord te gaan. U noteert dan wel uitdrukkelijk in het dossier dat uw patiënt niet akkoord gaat met bepaalde informatie in het dossier en de reden daarvoor.  

    Terug

    3. Het recht van de patiënt op toevoeging

    Indien uw patiënt daarom vraagt, dient u eventuele documenten die deze u bezorgt toe te voegen aan het dossier (art. 9§1, tweede lid, WPR; art. 16 GDPR), zoals bijvoorbeeld wetenschappelijke artikels en door de patiënt opgestelde verklaringen[2]. Net zoals het recht op verbetering is ook het recht op toevoeging begrensd. Volgens T. Vansweevelt bent u hiertoe enkel gehouden voor zover deze documenten (on)rechtstreeks relevant zijn voor de administratie of de gezondheidstoestand van de patiënt[3].

    Terug 

    4. Bewaartijd van een dossier

    U moet het patiëntendossier minimaal 30 jaar tot maximaal 50 jaar na het laatste patiëntencontact bijhouden (art. 35 KW). Na het verstrijken van de 30-jarige termijn, dient een periodieke evaluatie plaats te vinden of het bijhouden van het patiëntendossier voorts noodzakelijk blijft voor het doel waarvoor de informatie werd bijgehouden.

    Is de bewaartermijn verstreken en wilt u een dossier vernietigen? Dan moet u dit uiteraard op een zorgvuldige manier aanpakken[4]. Zet uw dossiers dus niet bij het oud papier.

    Mag u een dossier vernietigen op vraag van de patiënt?

    Neen, u kan op dergelijke vraag niet ingaan. U moet het dossier minimaal 30 jaar bewaren (art. 35 KW). Het recht op vergetelheid (art. 17 GDPR) kan o.i. geen toepassing vinden, vermits het bijhouden van de gezondheidsgegevens voort noodzakelijk zal blijven voor het doel waarvoor deze verzameld werden (met name het garanderen van de continuïteit van zorg en het verlenen van kwaliteitsvolle zorg), en er voor het verwerken (let wel: dit is niet gelijk aan delen, maar wel louter bijhouden!) van gezondheidsgegevens as such geen uitdrukkelijke toestemming vereist is die zou kunnen worden ingetrokken. Dat de verwerking noodzakelijk is voor het verstrekken van gezondheidszorg (art. 9, tweede lid, h) GDPR) is immers een voldoende grondslag.

    Terug

    5. Stopzetting van uw praktijk

    Wanneer u uw praktijk definitief stopzet, moet u het patiëntendossier en eventueel andere nuttige en noodzakelijke inlichtingen voor de continuïteit van zorg met toestemming van de patiënt overmaken aan een collega-klinisch psycholoog (Noteer dat wij ervan uitgaan dat het moet gaan om een collega-klinisch psycholoog, maar de Kwaliteitswet de term ‘gezondheidszorgbeoefenaar’ hanteert. Er zou dus tevens geargumenteerd kunnen worden dat het mogelijk is om het patiëntendossier bv. aan de huisarts te bezorgen.)(art. 20, §1, eerste lid KW).

    Indien de Toezichtscommissie ingelicht wordt dat een klinisch psycholoog niet meer in de mogelijkheid is of was om hieraan tegemoet te komen, neemt de Toezichtscommissie zelf de nodige schikkingen voor de gepaste bewaarregeling voor de patiëntendossiers, teneinde de continuïteit van zorg te verzekeren evenals ter vrijwaring van het beroepsgeheim (art. 20, §1, tweede lid KW).

    De regels ter verzekering van de continuïteit van zorg in het geval van definitieve stopzetting van de praktijk zijn geheel nieuw. Momenteel is het nog niet helemaal duidelijk hoe dit alles zal verlopen. Eventueel zou het kunnen dat de Psychologencommissie wordt ingeschakeld als het deontologisch orgaan voor klinisch psychologen. Daarnaast is het mogelijk dat bij koninklijk besluit nog specifiekere regels worden vastgelegd.

    Terug

    6. Het recht op inzage in het dossier

    Wilsbekwame patiënt

    (1) Door de patiënt zelf

    Uw patiënten hebben recht om zelfstandig en rechtstreeks hun volledige patiëntendossier of een deel daarvan in te kijken (art. 9, §2 WPR). De volgende regels zijn daarbij van toepassing (art. 9, §2 WPR):

    • U reageert binnen de 15 dagen op het verzoek tot inzage,
    • Gegevens die betrekking hebben op derden zijn uitgesloten van het recht op inzage.

    Het kan aangewezen zijn dat u aanwezig bent wanneer de patiënt diens inzagerecht uitoefent[5]. Zo kan u deze, indien nodig, bijkomende toelichtingen geven. Uw aanwezigheid is echter niet verplicht. Indien de patiënt niet door u wenst te worden bijgestaan, mag deze het inzagerecht ook alleen uitoefenen.

    Bent u niet beschikbaar om uitleg te geven of is er sprake van een conflict tussen u en uw patiënt? Dan kunt u bekijken of een andere psycholoog de patiënt kan ondersteunen tijdens de inzagerecht door op te treden als vertrouwenspersoon van de patiënt. De patiënt moet hiervoor wel toestemmen. 

    (2) Door de vertrouwenspersoon van de patiënt

    >> klik hier voor bijkomende toelichtingen over de vertrouwenspersoon

    Een patiënt kan ook een vertrouwenspersoon aanduiden om samen of in diens plaats de rechten met betrekking tot diens dossier uit te oefenen (art. 7, §2 en art. 9 WPR). De patiënt moet dit wel schriftelijk bevestigen. Deze bevestiging voegt u vervolgens samen met de identiteit van de vertrouwenspersoon toe aan het patiëntendossier.

    De vertrouwenspersoon kan een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep zijn. Deze beroepsbeoefenaar hoeft bovendien niet noodzakelijk een klinisch psycholoog te zijn. 

    Het kan evenzeer gaan om andere zorgberoepen die in de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de gezondheidszorgberoepen zijn opgenomen: geneesheren, kinesitherapeuten, tandartsen,…[6] 

    Op de website van de FOD Volksgezondheid vindt u een template die u kan gebruiken wanneer uw patiënt een vertrouwenspersoon wenst aan te stellen. Deze template is opgesteld door de Federale Commissie Rechten van de Patiënt. >> klik hier 

    Niet-wilsbekwame patiënt

    Indien de patiënt niet-wilsbekwaam is, worden diens patiëntenrechten in beginsel uitgeoefend door een vertegenwoordiger van de patiënt (zie hoofdstuk IV in de WPR). U zal zelf, geval per geval moeten beoordelen aan de hand van een doordacht reflectieproces of de patiënt al dan niet wilsbekwaam is..

    Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. de wilsbekwaamheid

    (1) Minderjarige, niet-wilsbekwame patiënt

    Een minderjarige, niet-wilsbekwame patiënt wordt bij de uitoefening van diens patiëntenrechten vertegenwoordigd door de ouders die het ouderlijk gezag uitoefenen of door een voogd (art. 12, §1 WPR).

    Concreet betekent dit dat ingeval het ouderlijk gezag aan één ouder exclusief werd toegekend (op basis van art. 374, §1, tweede lid BW), enkel deze ouder de patiëntenrechten kan uitoefenen van het minderjarige, niet-wilsbekwame kind. De andere ouder behoudt evenwel het recht op informatie om zo toezicht te kunnen houden op de opvoeding van het kind (art. 374, §1, vierde lid BW).

    Verder brengt dit met zich mee dat ingeval een ouder uit het ouderlijk gezag werd ontzet (op basis van art. 34 JB), deze ouder de patiëntenrechten van het minderjarige, niet-wilsbekwame kind niet kan uitoefenen. Deze ouder heeft ook geen recht op informatie. 

    Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. het ouderlijk gezag

    (2) Meerderjarige, niet-wilsbekwame patiënt

    Voor een meerderjarige, niet-wilsbekwame patiënt wordt in een cascaderegeling voorzien (art. 14 WPR). Deze cascaderegeling houdt het volgende in, voor zover en zolang deze niet in staat is om diens rechten zelf uit te oefenen:

    • Ingeval geen dergelijke vertegenwoordiger werd aangewezen of ingeval deze vertegenwoordiger niet optreedt: uitoefening van de patiëntenrechten door de bewindvoerder;
    • Ingeval van afwezigheid van een bewindvoerder: uitoefening van de patiëntenrechten door de samenwonende echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner of de feitelijk samenwonende partner;
    • Ingeval van afwezigheid van een samenwonende echtgenoot, een wettelijk samenwonende partner of een feitelijk samenwonende partner of ingeval van afwezigheid van actie door deze persoon: uitoefening van de patiëntenrechten door een meerderjarig kind, een ouder of een meerderjarige broer of zus (die uiteraard wel over wilsbekwaamheid moeten beschikken);
    • Ingeval van ontbreken van alle voorgaande personen of ingeval van afwezigheid van actie van alle voorgaande personen: uitoefening van de patiëntenrechten door uzelf, in voorkomend geval na multidisciplinair overleg.

    Dit is tevens het geval ingeval van conflict tussen twee of meer van voornoemde personen. Met het oog op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de patiënt, kunt u het verzoek van de vertegenwoordiger om inzage of een afschrift van het patiëntendossier te bekomen, geheel of gedeeltelijk weigeren. U voegt een schriftelijke motivering voor deze weigering toe aan het patiëntendossier. In dergelijk geval wordt het recht op inzage of afschrift uitgeoefend door een door de vertegenwoordiger aangewezen beroepsbeoefenaar (art. 15, §1 WPR juncto art. 15, §3 WPR).

    Terug

    7. Inzage in het dossier door de nabestaanden van de patiënt, na diens overlijden

    Ook na het overlijden blijft het beroepsgeheim gelden. Dit neemt niet weg dat onder bepaalde omstandigheden de belangen van de nabestaanden zwaarder kunnen doorwegen dan het recht op privacy van de overleden patiënt[7]. Als de patiënt overlijdt, dan hebben diens nabestaanden volgens de WPR onder een aantal strikte voorwaarden de mogelijkheid om het patiëntendossier onrechtstreeks in te kijken (art. 9, §4 WPR). De wet voorziet echter geen recht op afschrift voor nabestaanden. Een afschrift is immers steeds persoonlijk en vertrouwelijk en kan daarom enkel bestemd zijn voor de patiënt zelf[8].

    De volgende cumulatieve voorwaarden zijn aan het inzagerecht na overlijden verbonden:

    • Het gaat om een onrechtstreeks inzagerecht. De nabestaande kan het dossier niet zelf inkijken, maar alleen via een beroepsbeoefenaar die deze zelf mag aanduiden,
    • Dit onrechtstreeks inzagerecht kan enkel uitgeoefend worden door de echtgenoot, de wettelijk samenwonende partner, de partner en bloedverwanten tot en met de tweede graad (lees: de kinderen en kleinkinderen, de ouders en grootouders, de broers en zussen),
    • De patiënt mag zich er tijdens diens leven niet uitdrukkelijk tegen hebben verzet,
    • Het verzoek zelf moet voldoende gemotiveerd en gespecifieerd zijn*
    • U geeft alleen inzage in documenten die relevant zijn voor de gegeven motivering.
    • Illustratie bij deze bepaling in de memorie van toelichting van de WPR[9]: “Zo zal er, wanneer het verzoek tot inzage gemotiveerd is door de wens de doodsoorzaak te kennen, geen inzage verleend worden in stukken uit het medisch dossier die betrekking hebben op feiten die geen enkel verband houden met de oorzaak van het overlijden.”

    U kunt niet op een verzoek van nabestaanden tot inzage ingaan indien niet aan bovenstaande voorwaarden is voldaan. 

    Vanaf wanneer is een verzoek tot inzage volgende gemotiveerd en gespecifieerd? 

    De wet zelf omschrijft niet vanaf wanneer een verzoek tot inzage voldoende gemotiveerd en gespecifieerd is. Het is wel duidelijk dat het recht op privacy van de overleden patiënt enkel en alleen kan doorbroken worden indien de belangen van de verzoekers zwaarder doorwegen dan dit recht op privacy[10]. Deze afweging van belangen maakt u zelf[11], geval per geval, in functie van de specifieke situatie. U houdt daarbij best ook rekening met de invloed op de nagedachtenis van de overledene[12]. Volgens de deontologische code mag u eveneens niet ingaan op verzoeken van derden die een ongeoorloofd of immoreel doel nastreven (art. 43 DC). 

    De memorie van toelichting bij de WPR geeft daarnaast nog een aantal voorbeelden waarin het gerechtvaardigd zou kunnen zijn dat een nabestaande om inzage vraagt:
    • in het kader van rouwverwerking,
    • om bepaalde erfelijke ziektes op te sporen,
    • als nabestaanden vermoeden dat u een fout hebt gemaakt,
    • enz.

    Deze lijst kunt u meenemen in uw beslissing of u al dan niet op een verzoek kan ingaan. Het gaat niet om een bindende lijst.

    Terug

    8. Afschrift van het dossier

    In het verlengde van het inzagerecht voorziet de WPR ook in een recht op afschrift van het volledige dossier of van een gedeelte daarvan (artikel 9, §3 WPR). Dit mag, maar hoeft geen schriftelijke kopie te zijn, het kan ook digitaal (bijvoorbeeld via USB, in een e-mailbericht,…)[13].

    Aan het recht op afschrift zijn de volgende voorwaarden verbonden (artikel 9, §3 WPR):

    • U geeft binnen de 15 dagen gevolg aan het verzoek tot afschrift,
    • U vermeldt op elk afschrift dat het strikt persoonlijk en vertrouwelijk is,
    • Gegevens die betrekking hebben op derden zijn uitgesloten van het recht op afschrift,
    • U weigert het afschrift als er duidelijke aanwijzingen zijn dat de patiënt onder druk wordt gezet om het dossier aan derden door te geven (vb. familielid, verzekeraar, …). Hoewel dit niet opgelegd wordt door de WPR zelf, kan het nuttig zijn om deze weigering te documenteren in het dossier.

    Met uitzondering van de eerste kopie die u gratis ter beschikking moet stellen (art. 15, derde lid GDPR), mag u bovendien een bedrag aanrekenen voor een afschrift. Hieraan hangen echter ook een aantal regels vast[14]:

    • Per gekopieerde papieren pagina (A4) mag u maximaal 0,10 euro aanrekenen,
    • Het maximaal totaalbedrag voor een schriftelijke kopie bedraagt per opvraging 25 euro,
    • U mag maximaal 10 euro aanrekenen voor een digitale kopie.

    Terug

    9. Thearpeutische exceptie versus inzagerecht

    De WPR omschrijft in artikel 7, §4 de ‘therapeutische exceptie’. De therapeutische exceptie houdt in dat u de informatie over (de evolutie van) de gezondheidstoestand uitzonderlijk niet aan uw patiënt moet meedelen als dit een klaarblijkelijk ernstig nadeel zou betekenen voor diens gezondheid of deze van derden. Zodra dit gevaar geweken is, bent u evenwel wel verplicht om de informatie alsnog door te geven aan uw patiënt.

    Vooraleer u de ‘therapeutische exceptie’ kan inroepen moet u hierover een andere beroepsbeoefenaar raadplegen. U voegt daarenboven ook een schriftelijke motivatie toe aan het patiëntendossier. Als uw patiënt een vertrouwenspersoon heeft aangeduid, dan licht u deze hierover in.

    Wat betekent dit nu voor het recht op inzage en afschrift? Wanneer de ‘therapeutische exceptie’ nog steeds van toepassing is, kan uw patiënt diens inzagerecht en recht op afschrift enkel onrechtstreeks uitoefenen via een beoefenaar van een gezondheidszorgberoep die deze zelf aanduidt.

    Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. de therapeutische exceptie

    Terug 

    10. Hoe moet u 'persoonlijke notities' begrijpen?

    Hiervoor verwijzen wij u graag door naar onze pagina m.b.t. de persoonlijke notities

    Terug

    11. Verwijzingen

    [1] Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). HandboekGezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 462

    [2]  Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50, 2001-02, nr. 1642/001, p.29 >> klik hier om te raadplegen

    [3] Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 460

    [4] Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 567

    [5] Veys, M.N. (2008). De Wet Patiëntenrechten in de psychiatrie. Gent: Larcier, p. 196

    [6] Vansweevelt, T. & Dewallens, F. (eds.) (2014). Handboek Gezondheidsrecht. Volume II. Rechten van patiënten: van embryo tot lijk. Antwerpen: Intersentia 2014, p. 515

    [7] Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50, 2001-02, nr. 1642/001, p.34 >> klik hier om te raadplegen

    [8] Nys, H. (2014). Recht en bio-ethiek. Tielt: Uitgeverij Lannoo Campus, p. 90

    [9] Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50, 2001-02, nr. 1642/001, p.35 >> klik hier om te raadplegen

    [10]  Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50, 2001-02, nr. 1642/001, p.34 >> klik hier om te raadplegen

    [11]  Hausman, J.-M. « Chapitre II. Droits et obligations du patient et du psychologue clinicien » in J.-M. Hausman & G. Schamps (dir.) (2016). Aspects juridiques et déontologiques de l’activité de psychologue clinicien. Bruxelles: Bruylant, p. 41-242

    [12]  Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50, 2001-02, nr. 1642/001, p.34-35 >> klik hier om te raadplegen

    [13]  Memorie van toelichting bij het wetsontwerp betreffende de rechten van de patiënt, Parl. St., Kamer, doc. 50, 2001-02, nr. 1642/001, p.35 >> klik hier om te raadplegen

    [14]  Zie het Koninklijk Besluit van 2 februari 2007 tot vaststelling van het maximumbedrag per gekopieerde pagina dat de patiënt mag worden gevraagd in het kader van de uitoefening van het recht op afschrift van het hem betreffende patiëntendossier (BS 7 maart 2007)

    Terug


     
    Deel deze pagina